Op 2 april 2026 werd een internationaal onderzoek gepresenteerd naar de rol van religieuze identiteit in ontwikkelings- en humanitaire partnerschappen. Onder leiding van onderzoeker Sara Kinsbergen werd onderzocht wat gedeelde religieuze identiteit betekent voor de manier waarop organisaties samenwerken – en in het bijzonder voor de mate waarin die samenwerking als gelijkwaardig wordt ervaren. Het antwoord blijkt minder eenduidig dan vaak wordt aangenomen.
Het onderzoek is gebaseerd op interviews en surveys met internationale organisaties en hun lokale partners, in onder andere Burundi, Ethiopië en Oekraïne. Daarbij werd samengewerkt met zeven Nederlandse organisaties die actief zijn in ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, waaronder Mensen met een Missie. Vanuit bestaande partnerschappen leverden we input, reflecties en praktijkervaringen die de basis vormden voor de analyse.
De aantrekkingskracht van gedeelde waarden
Dat gedeelde waarden en overtuigingen een rol spelen in samenwerking, is geen verrassende uitkomst. Voor veel organisaties vormen ze een belangrijk onderdeel van hun identiteit en hoe zij partners selecteren en relaties opbouwen.
Het onderzoek laat zien dat gedeelde religieuze identiteit vaak fungeert als een versneller in de beginfase van samenwerking. Partners herkennen zich in elkaar, spreken als het ware dezelfde taal en bouwen sneller vertrouwen op. Dat vertaalt zich in relaties die persoonlijker en hechter worden ervaren, met een sterk gevoel van wederzijdse betrokkenheid. Die verbondenheid maakt samenwerking efficiënter en betekenisvoller. Partnerschappen worden minder transactioneel en krijgen eerder het karakter van een gedeelde opdracht. Maar precies in die kracht schuilt ook een risico.
Vertrouwen als fundament – en als afleiding
Gedeelde waarden verdiepen relaties, maar maken ze niet automatisch gelijkwaardiger. Structurele spanningen in internationale samenwerking blijven bestaan. De verdeling van macht en middelen blijft ongelijk. Besluitvorming, toegang tot financiering en strategische richting liggen vaak nog steeds in handen van organisaties uit het mondiale noorden. Wat verandert, is vooral de manier waarop die ongelijkheid wordt beleefd.
Organisaties uit het noorden schatten de samenwerking doorgaans als gelijkwaardiger in dan hun partners. Voor lokale organisaties blijft de afhankelijkheid vaak voelbaar, ook wanneer de relatie als goed wordt ervaren. Gedeelde religieuze identiteit kan die spanning verzachten, maar ook verhullen. Vertrouwen maakt samenwerking prettiger, maar kan er tegelijkertijd toe leiden dat lastige vragen minder snel worden gesteld.
Identiteit als dynamisch gegeven
Naast deze spanning rond gelijkwaardigheid laat het onderzoek nog een tweede belangrijke ontwikkeling zien. Religieuze identiteit blijkt in de praktijk geen vaststaand gegeven, maar iets dat voortdurend wordt afgestemd op context, partner en doel. Soms wordt die identiteit nadrukkelijk naar voren gebracht, bijvoorbeeld waar religieuze netwerken een belangrijke rol spelen. In andere gevallen wordt zij juist minder zichtbaar gemaakt, bijvoorbeeld richting institutionele donoren of in politiek gevoelige contexten.
Die flexibiliteit maakt samenwerking mogelijk in uiteenlopende situaties, maar roept ook vragen op. Wat gebeurt er wanneer partners dezelfde waarden verschillend interpreteren? En in hoeverre versterkt samenwerking met gelijkgestemden bestaande patronen? Religieuze identiteit blijkt daarmee niet alleen verbindend, maar ook onderwerp van voortdurende afstemming.
Waar het gesprek uitblijft
Wat dit onderzoek vooral zichtbaar maakt, is dat gedeelde waarden in veel partnerschappen aanwezig zijn maar zelden expliciet onderdeel zijn van het gesprek tussen partners. Samenwerking wordt vaak vormgegeven via rapportages, indicatoren en verantwoording. De overtuigingen die daaronder liggen, blijven impliciet. Daardoor blijven ook verschillen in interpretatie en verwachtingen onder de oppervlakte. De meerwaarde van gedeelde religieuze identiteit zit dan ook niet in het feit dat waarden worden gedeeld, maar in de mate waarin ze worden gebruikt. Als ingang voor dialoog en als kader om verschillen bespreekbaar te maken.
De vraag is vervolgens wat dit betekent voor de manier waarop partnerschappen worden ingericht. Niet door identiteit sterker te benadrukken als bindmiddel, maar door bewuster om te gaan met wat die identiteit betekent in de praktijk. Samenwerking draait dan niet alleen om vertrouwen, maar ook om het expliciet maken van onderliggende verhoudingen. Gesprekken gaan niet alleen over resultaten, maar ook over aannames en verwachtingen. Gelijkwaardigheid ontstaat niet vanzelf uit gedeelde uitgangspunten, maar uit de manier waarop partners omgaan met de complexiteit die daaruit voortkomt.
Waar samenwerking werkelijk vorm krijgt
Deze inzichten raken aan bredere discussies over machtsverhoudingen en gelijkwaardige samenwerking. Waar die zich vaak richten op financiering en structuren, laat dit onderzoek zien dat ook minder tastbare factoren bepalend zijn. Percepties, onderlinge verwachtingen en de manier waarop partners elkaar benaderen, beïnvloeden hoe samenwerking wordt ervaren. Religieuze identiteit maakt die dynamiek zichtbaar, maar de onderliggende mechanismen zijn breder toepasbaar.
Later dit jaar zal de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking met een Afrikastrategie komen, waarin gelijkwaardig partnerschap centraal zal staan. De inzichten uit dit onderzoek zijn daarvoor zeer relevant: ze laten zien waar samenwerking in de praktijk schuurt, en wat nodig is om gelijkwaardigheid niet alleen te benoemen, maar ook daadwerkelijk vorm te geven.
Een uitnodiging tot scherpte
Voor Mensen met een Missie bevestigt dit onderzoek het belang van een benadering waarin ruimte is voor die complexiteit. In ons werk staat het gesprek centraal, juist daar waar verschillen zichtbaar worden. Niet om ze glad te strijken, maar om ze te begrijpen en bespreekbaar te maken.
Dit onderzoek onderstreept dat die gesprekken niet vanzelf plaatsvinden, zelfs niet in partnerschappen met veel vertrouwen en gedeelde waarden. Dat raakt direct aan hoe wij werken. Dialoog is voor ons geen middel naast samenwerking, maar een voorwaarde ervoor. Niet alleen om elkaar beter te begrijpen, maar ook om machtsverhoudingen en aannames expliciet te maken. Tegelijkertijd confronteert het onderzoek ons met een ongemakkelijke vraag: in hoeverre slagen wij er zelf altijd in om die gesprekken te voeren? En waar laten we spanningen liggen? Dat vraagt niet alleen iets van onze partners, maar nadrukkelijk ook van onszelf.
Het onderzoek sluit aan bij de beweging richting meer gelijkwaardige samenwerking en het verschuiven van macht naar lokale partners. Maar het laat ook zien dat structurele veranderingen alleen niet voldoende zijn. Gelijkwaardigheid zit óók in hoe partners zich tot elkaar verhouden, en in wat wel en niet wordt uitgesproken. Dat vraagt om het herverdelen van middelen én om andere gesprekken. Wat mensen verbindt, kan samenwerking versterken. Maar het vraagt ook om alertheid, juist daar waar die verbinding vanzelfsprekend lijkt.
Want uiteindelijk is het niet de vraag óf we waarden delen. De vraag is hoe bewust we ermee omgaan.
Meer lezen
Het volledige onderzoeksrapport en de samenvatting zijn hier te vinden:
Samenvatting
Onderzoeksrapport








