Poppenkast, Parelmoer, Pepernoten – gesprek met een ‘onkritisch missionair’

‘Onkritisch missionair’ – zo noemt Hans Burgman zichzelf. Uit zijn mond klinkt dat als een héél ironische uitdrukking, want er zijn weinig missionarissen die hun leven, het geloof en de kerk zo kritisch doordacht hebben als hij. En toch is het precies wat hij bedoelt. Geloven doe je als een kind, móet je doen als een kind, zegt hij, anders blijft er niets van over.

We spreken father Hans op zijn kamer in missiehuis Vrijland in Oosterbeek, één van de huizen op het terrein van Mill Hill. De kamer staat en hangt vol met herinneringen, foto’s, platen en boeken – veel boeken. ‘Ik ben een verzamelaar’, zegt Hans, ‘ik heb een hekel aan dingen weggooien.’ De kamer is warm. Father Hans is 92 jaar en lijdt al een aantal jaren aan Parkinson. Hij zit achter zijn bureau aan het raam, een breekbare oude man. Op dat bureau liggen allerlei recente publicaties, nieuwe boeken die hij nog altijd vol interesse tot zich neemt. Hij beweegt langzaam, hij spreekt ook langzaam, maar in weloverwogen zinnen. Vol met wijze inzichten, maar ook met veel humor en zelfrelativering. Op mijn eerste vraag hoe het met hem gaat, antwoordt hij: ‘Uitstekend! Als het langzaam achteruit gaat, gaat het goed, zeg ik altijd.’

Hij valt graag met de deur in huis. Zo begint hij over alle gemiste kansen in de geschiedenis van de katholieke kerk. Hij noemt ze ‘troeven’ die onder tafel zijn gevallen in de loop van de kerkgeschiedenis.
‘De laatste 25 jaar ben ik daarmee bezig geweest, heb ik die proberen terug te vinden. Ik heb er intussen drie gevonden. De eerste is deze: Jezus protesteerde tegen de tempeldienst – voor hem was dat voorbij, het is de tijd niet meer om God te zoeken op de berg van de Joden of op de berg van de Samaritanen. De tijd is gekomen dat de weg naar God de weg naar je hart is, daar vind je God. Het christendom is begonnen als een soort familiereligie, zonder tempel – maar in de loop van de eeuwen is die tempel teruggekomen als kerk. En zo zijn er heel veel dingen teruggekomen: klerikalisme, het idee dat je vooral gelooft en bidt in de kerk en niet daarbuiten, het Heilige der Heiligen etc. Dat was voor Jezus helemaal niet zo – dat is de eerste troef die onder de tafel is gevallen: de tempeldienst is herrezen.’

‘De tweede troef gaat over hermeneutiek. De vorige paus (Benedictus) was een beetje tegen vernieuwing. Hij zei: “We moeten het Evangelie lezen volgens de hermeneutiek van het blijvende, en niet de hermeneutiek volgen van het evolutionaire.” Volgens mij klopt dat helemaal niet, dat vind je nergens bij Jezus. Jezus zegt: als je mijn boodschap wilt begrijpen, moet je die lezen met de ogen van een kind. Die hermeneutiek van de kindervisie zijn we helemaal kwijtgeraakt, dat is de tweede troef die onder tafel is verdwenen. We hebben onszelf verkocht aan de wetenschap, en dan kom je zonder meer uit bij atheïsme. Ik ben ook een atheïst, als wetenschapsmens, maar het kind in mij is gelovig. Voor mij kenmerkt die kindervisie zich door drie dingen: poppenkast, parelmoer en pepernoten.

  • Poppenkast: dat staat voor de leer in de vorm van parabels. Jezus deed alles in parabels, dat is poppenkast natuurlijk. Wij vinden poppenkast iets negatiefs, maar voor een kind is het de waarheid.
  • Parelmoer: dat heeft te doen met de wonderen. Een parel ontstaat doordat er ergens een zandkorreltje in een oesterschelp terechtkomt. De oester legt er steeds laagjes parelmoer omheen en op het laatst heb je een prachtige parel. Maar het hart van de parel is een gewoon zandkorreltje. Zo zijn de wonderen die het hart vormen van het Evangelie ook oorspronkelijk begonnen als doodgewone gebeurtenissen. Door de hervertellingen in de traditie zijn er steeds meer laagjes parelmoer omheen gelegd en zo zijn het nu prachtige parels geworden, maar het hart ervan zijn hele gewone gebeurtenissen.
  • Pepernoten: die staan voor de genade, de zegeningen die je ontvangt. Die zijn als snoepgoed dat door de lucht komt aangevlogen. Je weet niet waar het vandaan komt, maakt ook geen donder uit. Je moet van je stoel af, op je knieën over de grond kruipen om die pepernoten op te rapen.’

‘Dan is er nog een derde troef die onder tafel is verdwenen. Die betreft de liturgie. Jezus en zijn tijdgenoten geloofden allemaal dat het einde van de wereld was gekomen, dat er een nieuwe wereldorde zou komen en dat dan het Koninkrijk Gods gesticht zou worden. Dus hij zou terugkomen, daar waren ze zeker van. Die terugkomst heeft zich toen gevestigd in de eucharistie. In de Middeleeuwen werd die terugkomst van Jezus zo wetenschappelijk uitgelegd dat je de leer van de transsubstantiatie krijg. En daar is het aan te wijten dat de kelk helemaal is verdwenen, er staat alleen nog maar een hostie op het altaar. Dat is dramatisch vind ik – brood en wijn zijn de symbolen van ons leven, in de mystieke woorden aangeduid als het lichaam en bloed van Christus. Maar die liggen gescheiden op het altaar! Stel je eens voor: als lichaam en bloed gescheiden zijn, dan ben je zo dood als een pier! En die offer je dan aan God! Maar God zegt: “Ho ho, hier heb je hem terug – hij moet herrijzen.” En waar vindt die herrijzenis plaats? Doordat je het brood eet en de wijn drinkt herrijst Christus in jou. Dus de communie is het beeld van de verrijzenis, maar voor de verrijzenis heb je wel het bloed nodig. Dat zijn we helemaal kwijt. Ik heb in mijn hele leven maar één keer een tabernakel gezien waar ook de kelk met wijn wordt bewaard. Dat was in Taizé. Verder worden er in tabernakels alleen maar hosties bewaard.’

‘De kerk is die troeven kwijtgeraakt. Ze is bloedeloos geworden. Ze spreekt een bloedeloze taal, die de mensen niet meer aanspreekt. En intussen zitten we allemaal in een reddingsboot, maar we denken dat we nog in de Titanic zitten.’

Kunt u iets vertellen over uw achtergrond en over hoe u in de missie terecht bent gekomen?
‘Ik kom uit een familie waar de missionaire gedachte sterk leefde. Mijn grootvader van moeders kant kwam uit een gezin van vier meisjes en twee jongens – alle vier de meisjes zijn zuster geworden, en één van de jongens broeder. Twee van die meisjes zijn naar Indië gegaan en zijn daar in Jappenkampen gestorven, dat waren heroïsche figuren in onze familie. Ook aan mijn vaders kant was er een missionaris van Mill Hill. De annalen van Mill Hill die hadden wij thuis en die las ik. Zodoende ben ik bij Mill Hill gekomen. Een bewuste keuze om op de schouders te gaan staan van degenen die mij vooraf waren gegaan. Dat vind ik ook de taak van een kind. Een kind moet op de eerste plaats conservatief zijn – een kind is uitgevonden om de dood te overwinnen. Met de dood gaat immers alle ervaring verloren van het stervende wezen – het kind neemt deze ervaringen van de stervende over om ze zo te behouden. Zo is het met mij ook gegaan: ik ben onkritisch missionair geworden.’

‘Ik kom uit Twente, en in Twente hebben wij een eigen filosofie. Die noemen we ‘kww’: kieken wat ’t wordt. We kijken graag de kat uit de boom. Met die houding heb ik ook de grote crisissen in mijn leven als missionaris bekeken. Ik stond stevig op de schouders van mijn voorgangers, ik heb mijn filosofie goed doordacht, de sterke punten ervan bewaard – dus ik heb nooit grote moeilijkheden gehad. Maar ik heb wel altijd kritisch gekeken: in hoeverre is het waar? Wat is het waarheidsgehalte van wat ik zeg en doe en wil? Dus ik ben ook destijds erg progressief geworden, maar ik heb een grote hekel aan dingen weggooien. Ik vind het erg leuk om oude dingen weer tot leven te brengen. Dat zie je ook wel aan mijn kamer hier. Ik houd van chaos.’

‘Als je echt progressief wilt zijn, moet je de vooruitgang laten komen uit het verleden. Al het leven komt uit zaad, en het zaad komt altijd uit het verleden. Zo is het ook met vooruitgang in de kerk: je moet eerst het verleden goed in je opnemen, voordat je de toekomst kunt openvouwen. Zo ben ik ook missionaris geworden, vanuit de overtuiging dat ik eerst moest luisteren, leren. De eerste taak van een missionaris is niet om te brengen, maar om te luisteren. En om dan de mensen te helpen de boodschap die daar al in opgevouwen ligt open te maken, uit te pakken.’

 

‘Ik heb eerst zes jaar gewerkt in Uganda, daarna heb ik acht jaar filosofie gegeven op het groot-seminarie, voordat ik vicaris-generaal werd van Mill Hill. Toen kwam ook vernieuwing op mijn bordje. De meeste dingen heb ik toen uitgedacht en ik ben ze gaan toepassen in een moderne setting, in de krottenwijken van Afrika. Toen mij werd gevraagd wat ik daar ging doen zei ik: “Ja, dat weet ik niet. Ik ga daar naartoe en dan hoor ik wel van de mensen wat ze graag willen dat ik doe.” En zo is het ook gegaan. Ik ben er wel met een team naartoe gegaan van zes mensen, de helft Europees, de andere helft Afrikaans. Toen hebben we meteen de mensen daar uitgenodigd, de leiders, om hen te vragen wat zij vonden dat wij moesten doen. Daar hebben we ze drie weken voor gegeven. En we hebben tegen elkaar gezegd: wat ze vragen gaan we ook echt doen. Als ze vragen om elke dag veertig muren te witten, gaan we dat ook echt doen, zo goed mogelijk. Na drie weken kwamen ze terug en zeiden: wat jullie moeten doen is bijbelgroepen organiseren. Ieder van ons heeft toen twee bijbelgroepen opgericht in die sloppenwijken. En daar is heel veel uit voortgekomen. Gezondheid voor kinderen was het eerste, want overal zag je kinderen met dikke buikjes en diarree. Dus wij zeiden: geef ons maar eens een dozijn mensen, dan trainen wij die als gezondheidswerkers die weten hoe die kinderen het beste geholpen kunnen worden. En die kwamen terug bij ons en zeiden: ja, dit is mooi, maar er is zoveel onrust in deze wijk. Toen zeiden wij: geef ons nog maar eens een dozijn mensen, dan trainen we die als sociaal werkers. En zo kwam van het één het ander. Die kwamen weer terug en zeiden: ja maar er is ook geld nodig. Kunnen we geen leenbank oprichten?’

‘Eén van onze medewerkers was gespecialiseerd in Paulo Freire, die een psychosociale methode heeft ontwikkeld om erachter te komen wat mensen nodig hebben. Uiteindelijk bleef de keuze tussen een ambachtsschool en een school zonder regels. Het werd het laatste, een school ook voor straatkinderen: zonder uniformen, zonder boeken, geen verdovende middelen snuiven, geen vechtpartijen – elkaar helpen, leuke dingen doen samen. Daar is onze hele jeugdzorg uit voortgekomen.’

Dat project bestaat nog steeds. Is het in al die jaren uitgegroeid tot een klein paradijs?
‘Nee, het is uitgegroeid tot parochies. Dat gebied waar ik toen begonnen ben, dat zijn nu vier parochies. Daarvoor bestond er helemaal geen gemeenschap. Dat is het vreemde: wij als Europeanen denken dat er in die krottenwijken een gemeenschap bestaat. Dat is niet waar. Het zijn allemaal individuen die vechten om in leven te blijven, tegen elkaar. Wie niet sterk is moet slim zijn, en die liegt er maar op los. Dus het allereerste begin was eigenlijk om die mensen een gemeenschapsgevoel bij te brengen. Dat kwam natuurlijk vanuit een katholiek kader. Die mensen waren oorspronkelijk wel christenen, maar lang niet allemaal katholiek. Ze waren naar de stad getrokken, waar niemand meer om hen gaf. Er woonden daar zo’n 200.000 mensen. Wij presenteerden ons als katholieken, maar als katholieken die wilden samenwerken met iedereen. Er sloten zich steeds meer mensen bij ons aan, ook leiders, en uiteindelijk moesten we ze onderverdelen in zeven of acht grote gemeenschappen, in buurten. En die buurten ondersteunden dan weer de groepen: de jeugdzorg, kinderen, de school, vrouwen en meisjes – alle projecten die er later bijkwamen.’

‘Bijzonder was de ambachtsschool. Toen ik in Kenia aankwam moest ik eerst twee jaar gewoon als kapelaan in een parochie werken: om de taal en het land te leren kennen, en om alvast vanuit die parochie de wijken in te gaan. Ik kende de taal nog niet, dus liet ik ze tijdens de zondagsdiensten de misdienaars het evangelie uit-acteren in plaats van een preek te houden. Dus als toneelstuk. Dat was vreselijk leuk. De mensen stonden op de banken om het te kunnen zien, vreselijk leuk! Toen begon de poppenkast al!’

‘Nadat ik daar weg was gegaan, ging ik in de sloppenwijk wonen en toen kwamen de mensen uit de toneelgroep van mijn voormalige parochie naar mij toe dat ze door wilden gaan. Toen is één van onze zusters begonnen met straattoneel. Ze schreef toneelstukken: Mozes en de Rode Zee, de Armen in het Paradijs etc. Die voerde ze op met de jongeren op open plekken in de wijken. Daar kwamen honderden mensen naar kijken. Maar diezelfde jongeren die de toneelstukken opvoerden kwamen naar ons toe en zeiden: het is heel leuk om dit in de weekenden te doen, maar door de week hebben we niets te doen. Toen hebben we ze wat stukken hout, een hamer en spijkers gegeven en gezegd: maak maar eens een stoel. Daar is onze ambachtsschool uit voortgekomen. Dus je moet niet te veel plannen, je moet het laten komen. Dat is heel sterk in Afrika. De grondhouding van Europeanen is controle, alles onder controle houden. Als dat niet lukt, raken mensen gestrest, burn-out etc. Terwijl in Afrika alles draait om de ontmoeting. Ze wachten rustig af wat er komt – kiek’n wat ’t wordt. Eigenlijk zijn het allemaal Twentenaren. Dat zie je overal terug, in de taal bijvoorbeeld, maar ook in hoe mensen leven. Neem een deur. De taak van een Europese deur is dat ‘ie dicht is, de taak van een Afrikaanse deur is dat ‘ie open is. Als je hier in Nederland iemand opzoekt bel je aan bij een dichte deur. Terwijl in Afrika de deur open is als iemand thuis is. Als ‘ie dicht is, is ‘ie er niet.’

Ik lees father Hans een stukje voor uit het boek dat hij schreef tijdens één van zijn pelgrimstochten naar Santiago de Compostella. Hij liep die route zo’n zes keer.
“Europeanen zijn ervan teruggekomen de eigen cultuur als superieur te beschouwen; ze stellen zich nu op het standpunt dat alle culturen even goed zijn, en dat daarom ook de Afrikaanse culturen respect verdienen. Hoewel dit een stap in de goede richting is, vermoed ik toch dat dit nog niet goed genoeg is. Het is mijn diepe overtuiging dat elke cultuur iets eigens heeft dat andere culturen missen, en nodig hebben. Daarom zou ik zeggen dat alle culturen uniek en nodig zijn. Een aardige illustratie van mijn standpunt is de legpuzzel. De gedachten van alle mensen zijn als stukjes van een heel grote legpuzzel. Mensen helpen elkaar bij het aaneenpassen van de stukjes. Om dat goed te doen sorteren ze de stukjes die bij elkaar lijken te horen. Zo zou je kunnen zeggen dat de mensen van Europa zich geconcentreerd hebben op de blauwe stukjes: ze hebben ze nauwkeurig bij elkaar gezocht, en het is hun gelukt ze bijna allemaal aan te leggen; de blauwe stukjes stellen duidelijk de blauwe lucht voor. Slechts één stukje ontbreekt hun nog. Uiteindelijk duikt dit stukje op in Afrika. En wat blijkt nu? Op dit stukje staat een bootje! Daardoor wordt duidelijk dat de blauwe stukjes niet de lucht voorstellen, maar het blauwe water. Dat wil vervolgens zeggen dat alle Europese stukjes verkeerd liggen, dat de hele Europese puzzel omgedraaid moet worden. Maar waarschijnlijk zullen de Europeanen zich met hand en tand verzetten tegen een dergelijke ontdekking.” (Uit: ‘Losgelopen Woorden. Een voetreis naar Santiago de Compostela.’)

Welk stukje moeten wij volgens u in Afrika vinden?
‘Het stukje ontmoeting. Wij zoeken naar het ontbrekende stukje controle, maar dat zullen we niet vinden. Want we zoeken verkeerd. Dat zie je bijvoorbeeld aan dat zoveel mensen niet beseffen hoe goed ze het hebben. Ik heb eens een theorie ontwikkeld: ieder mens heeft recht op ellende. Want als je ellende hebt, dan krijgen anderen medelijden met je. Het is heel fijn als mensen medelijden met je hebben. Hoe rijker je wordt, hoe minder medelijden dat je krijgt. Dus je hebt recht op een voldoende hoeveelheid ellende. Normaal gesproken krijg je je ellende uit het noodlot, meer dan voldoende. Maar als je het daar niet uit krijgt, moet je het zelf gaan zoeken. Daarom halen mensen hun ellende uit de gekste dingen. Overal weten ze ellende uit te halen. En ja, als ze dat nodig hebben moeten ze dat maar doen. Wie ben ik om ze dat af te nemen. Feit is dat als je tussen Afrikanen woont en leeft, en zoveel ellendige dingen meemaakt, je ziet hoeveel tevredenheid er ook is, hoe gelukkig ze zich voelen. Goed genoeg om anderen ook weer te helpen. Het is me zo vaak opgevallen hoe arme mensen die hulp nodig hadden werden geholpen door andere arme mensen, niet door rijke mensen. Zo is dat hier ook. Daar baal ik weleens van hier: hoe mensen zich almaar weer beklagen over wat er allemaal mis is hier, hoe erg of het hier is. Niemand weet hier wat arm zijn is. Arm zijn is hier dat je minder hebt dan een ander. Maar daar praat ik maar niet teveel over, dan krijg je ruzie.’

‘Als je alles onder controle wilt hebben, ben je altijd op zoek naar een schuldige. Iets kan niet zomaar gebeuren, er moet iemand de schuld van hebben. Wat je nu ook weer ziet met hoe druk ze bezig zijn om te zoeken naar de schuld van al die overstromingen in Limburg. Dat is afschuwelijk, heel erg als je erbij stilstaat. Want dan bof je eigenlijk nooit. Je krijgt alleen maar je rechten. ‘Ik heb recht op zoveel zonnedagen in het jaar.’ Je ziet dan alles in het negatieve: wat er allemaal nog niet goed is en ontbreekt. Terwijl je je veel beter op de goede dingen kunt richten, de dingen die zomaar naar je toekomen.”

Wij gebruiken als Mensen met een Missie nog steeds het woord ‘missie’, hoewel een tikje anders dan vroeger. Hoe ziet u missie? Is dat nog steeds actueel volgens u?
‘Jazeker. Eén van de mooiste dingen die de huidige paus heeft gezegd is: we moeten de armen niet alleen helpen door aan hen te geven, maar ook door naar hen te luisteren. Voor ons is missie nog steeds zenden, geven – maar niemand ziet missie ook als ontvangen. Voor mij wordt missie eigenlijk pas waardevol als het delen is: als je dingen aan elkaar geeft en van elkaar ontvangt. En dan is het vooral om de taal te doen, de houding, de humor en de kunst. We moeten ‘missie’ opnieuw ijken. Schatten gaan graven, schatten zoeken, nog veel meer van die troeven vinden waar ik eerder over sprak.’

‘Luisteren is zo belangrijk. We hebben genoeg gepraat. Laten we eens gaan luisteren. Want luisteren is heel moeilijk. Het is net als met de techniek van niet-technologische culturen. Die techniek is heel moeilijk. Neem de boemerang die de Aboriginals gebruiken: hoe dat precies werkt, weet je niet. Je gooit en hij komt terug, probeer het maar eens! Wij noemen dat primitieve technologie, maar het is eigenlijk razend ingewikkeld. Of neem een spinnewiel, of een ploeg: primitieve technologie, maar heel moeilijk te begrijpen hoe het precies werkt. Zo is het ook met taal. Het lijkt zo eenvoudig, maar het luistert zo nauw!’

‘Ik denk dat je een taal pas een beetje snapt als je mensen kunt laten lachen. Toen ik in 1957 naar Uganda ging, kwam ik terecht bij een plaatselijke pastoor die ontzettend goed de taal sprak. Als ‘ie buiten stond te praten kon je niet horen of hij aan het woord was of de plaatselijke bevolking. En er werd eindeloos gelachen samen, het was een feest om hem bezig te zien. Ik heb veel van hem geleerd, en ook veel met de mensen gelachen. Als ik nu nog weleens iemand uit Uganda tegenkom, dan praat ik nog weleens een beetje Luganda met zo iemand. Dan moet ‘ie erg lachen en zegt: zo spraken wij 50 jaar geleden!
Taal is zo belangrijk. Vorig jaar was ik in Duitsland, op een soort missiefeest. Daar was een jonge Ugandese vrouw van in de dertig, die Luganda sprak. Dus ik begon met haar Luganda te praten. Toen is ze me huilend om de hals gevallen. Prachtig was dat.’

Wat heeft u ontvangen in de missie?
‘De houding om te ontmoeten, mensen te ontmoeten, dat de deur open moet staan. Ieder mens heeft iets te geven. En wij worden geroepen om naar mensen te luisteren. Maar dat doen we niet, in plaats daarvan zitten we allemaal in een ‘bubbel’, een gesloten bolletje. En zo nu en dan komt er een gaatje in. Dat plakken we snel dicht met een pleistertje van een paar cent. Dan kunnen we weer door in onze eigen bubbel. Om uit onze bubbel los te komen is missie nodig, zijn ontdekkingsreizigers nodig, schatgravers. En niet bang zijn, maar gaan luisteren, echt luisteren. Vaak is het zo: hoe rijker je wordt, hoe banger dat je wordt. Je hebt steeds meer om kwijt te raken.’

Ik lees nog een stukje voor.
“Sommige mensen vinden de praktische hulpvaardigheid en het wederzijdse respect dat onder de pelgrims leeft, humanistische restanten van wat eens een religieuze gebeurtenis was. Zo zie ik het helemaal niet. Voor mij wordt religie pas authentiek als deze zich vermengt met de gewone dingen van het dagelijks leven, als zout in de aardappels. Je kunt je dan ook afvragen of je religie als zodanig wel hoort te proeven: de bedoeling van religie is juist om het normale leven humaan smakelijker te maken. En een pelgrimstocht als deze toont aan dat dat ook zo is: religie is voor deze tocht als het zout in de pap.” (Uit: ‘Losgelopen Woorden. Een voetreis naar Santiago de Compostela.’)

Dat is ons uit het hart gegrepen. We moeten bij Mensen met een Missie té vaak uitleggen wat religie is en betekent. Maar dat is alsof je mensen een hap zout geeft, dat smaakt vreselijk. Het is alsof mensen vergeten zijn hoe het leven kan smaken als geloof daar volkomen in verweven zit.
‘Ze zijn ook vergeten dat ze die smakelijkheid hebben geleerd. Een klein kind lust eigenlijk alleen maar melk. Al die andere heerlijke dingen spuugt ‘ie allemaal uit. Je moet het leren eten. Zo moeten we denk ik ook godsdienst leren verwerken. En dan kom je weer bij die pepernoten terecht, en bij het parelmoer en de poppenkast. Dat is ook een kwestie van niet bang zijn. Wat je nu overal in de krant leest, dat de mensen geen vertrouwen meer hebben in de regering, betekent uiteindelijk dat ze allemaal bang zijn. Wantrouwen is de vrucht van angst. En men denkt momenteel: hoe meer wantrouwen, hoe wijzer dat je wordt. Maar dat is niet zo. Hoe meer wantrouwen, hoe ármer dat je wordt. Ieder kind dat geboren wordt is bang, heel kwetsbaar. Angst is ook niet de schuld van iemand. Angst is een beginpunt. Als je leert lopen, ben je bang om te vallen. Dat is niet iemands schuld.’

‘Geloof moet je ook leren. Daar ben ik nog niet helemaal klaar mee hoor. Ik heb het sterke vermoeden dat God een gevoel voor humor heeft. Dat is toch het liefste wat wij mensen doen: lachen met elkaar? Het feit dat in een kerkdienst niet of nauwelijks gelachen wordt is zeer verontrustend. Ik heb me al lang geleden voorgenomen: ik zal nooit preken zonder de mensen minstens één keer aan het lachen te maken! En dat is aardig gelukt. De meeste preken zijn ouwe koeien uit de sloot halen. Dat is ook wat je bij theologie leert: welke ouwe koeien je allemaal uit de sloot kunt halen.’

Dit is het laatste interview met father Hans Burgman. Het werd gehouden door Ton Groeneweg op 4 november 2021 in Oosterbeek. Op 13 maart 2022 overleed father Hans, 93 jaar oud.

Gerelateerde verhalen

Wij geloven dat échte veranderingen van onderop komen.
Daarom steunen wij kleinschalige lokale initiatieven.